Ecologie van vissen
De ecologie van de Nederlandse zoetwatervissen houdt zich bezig met de relatie tussen de vis en zijn levende omgeving en zijn niet-levende omgeving.
De levende omgeving van een vis wordt bepaald door factoren als voedsel, soortgenoten, concurrenten en roofdieren. De niet-levende omgeving van een vis wordt bepaald door factoren als stroming, diepte, bodemsoort, helderheid, zuurstofgehalte en zoutgehalte. Kennis van de ecologie van zoetwatervissen leidt tot meer begrip van de factoren die de samenstelling van de visstand in een water bepalen.
Vissenleven is aan ons oog onttrokken
Er is al veel bekend over de ecologie van zoetwatervissen. Toch is enige bescheidenheid ten aanzien van onze kennis op zijn plaats. Directe waarnemingen onder natuurlijke omstandigheden zijn namelijk nauwelijks mogelijk zonder de zoetwatervis en zijn milieu te verstoren. Die verstoring kan de observaties en de conclusies daaruit beïnvloeden . Daarom is veel ecologische informatie over vissen afgeleid uit een combinatie van visserijgegevens, milieugegevens en laboratoriumonderzoek (aquaria).
In werkelijkheid kan het onder de waterspiegel net even iets anders verlopen dan wij denken. Vergelijk dit maar eens met het veldonderzoek aan insecten, zoogdieren of vogels. Deze landdieren en hun ecologische relaties met hun leefmilieu zijn vaak het jaar rond direct waarneembaar voor de onderzoeker.
Leefomgeving
De leefomgeving van een vis bestaat uit een levende omgeving (voedsel, soortgenoten, concurrenten en roofdieren) en een niet-levende omgeving (stroming, diepte, bodemsoort, helderheid, zuurstofgehalte, zoutgehalte).
Leefvoorwaarden voor vissen
De leefomgeving van een vis moet tenminste aan een aantal voorwaarden voldoen. Naast een voldoende waterkwaliteit om alle lichaamsfuncties goed te laten werken, heeft een vis voor het voortbestaan overwegend en in voldoende mate nodig:
voedsel (voor zijn conditie, zijn groei en de voortplanting) schuilgelegenheid (tegen roofdieren en extreme milieuomstandigheden) gelegenheid tot voortplanting (in de vorm van paaigebied en partners).
Tolerantie en aanpassing
Een water voldoet niet op elk moment aan de voor individuele vissen en vissoorten meest optimale omstandigheden. Maar zoetwatervissen kunnen zich wel aan tijdelijke of permanente veranderingen van het milieu aanpassen. Maar voor alle milieu-omstandigheden bestaan er tolerantiegrenzen. Dit zijn de minimum- en maximumwaarden van de betreffende milieu-factoren, waarbinnen de vis nog in leven blijft. De ene vissoort kan in dat opzicht wat meer hebben, of kan slechte omstandigheden gedurende langere tijd doorstaan dan de andere vissoort. Vissoorten kunnen eventueel ontsnappen aan extreme omstandigheden, bijvoorbeeld door weg te trekken naar veiliger oorden. Hieronder volgt relevante informatie uit het Basisboek Visstandbeheer in PDF-formaat:
- PDF | Vis en zuurstof
- PDF | Zoet, brak en zout water
- PDF | Stroming en temperatuur
- PDF | Zoetwatervissen en ons rivierensysteem
- PDF | Waterplanten
- PDF | Variaties, verbindingen en barriëres
- PDF | Vis en Mens
Levensgemeenschap
Het begrip levensgemeenschap kan worden gedefinieerd als “de totaliteit van elkaar beïnvloedende, tot verschillende soorten behorende organismen, tezamen gebonden aan een bepaald milieu”.
Biotische factoren
Je kunt stellen dat de levende (biotische) omgeving van een vis de ontwikkelingsmogelijkheden die door de niet-levende omgeving aan die vis wordt geboden, verder inperkt of juist verruimt. Beschikbaarheid van voedsel, concurrentie om voedsel, de aanwezigheid van partners, paai- en schuilgelegenheid, de strijd tegen ziekten en parasieten en het ontwijken van roofdieren zijn belangrijke biotische factoren.
Levensgemeenschappen
De visstand in een water staat dus niet op zichzelf, maar wordt op vele manieren beïnvloed door de soorten en aantallen van de planten en overige dieren in dat water. Zij hebben allemaal wat met elkaar te maken. Ze eten elkaar of ze betwisten elkaar een prooi, of soms ook een schuilplaats. Anderen hebben elkaar nodig voor bescherming, als aanhechtingsoppervlak, als transportmiddel en wat al niet mogelijk is. Het komt er op neer dat ze bij elkaar horen: ze vormen een zogenaamde levensgemeenschap.
Ook de vissen in een water maken deel uit van een dergelijke levensgemeenschap. De beheerder van een visstand heeft dus met veel meer te maken dan alleen de vissen. De kwaliteit van de visstand is sterk afhankelijk van de totale levensgemeenschap in het water en daar moet dan ook terdege rekening mee worden gehouden.
Levenscyclus
Een vis begint zijn leven als eitje, klevend aan waterplanten of verborgen tussen bodemmateriaal. Na enkele dagen tot weken komt de vis als embryo uit het ei. Daarna volgt een periode, waarin het embryo de inhoud van de dooierzak als bron voor groei en energie gebruikt. Het embryo wordt larve wanneer het overschakelt op extern voedsel en vrij gaat zwemmen.
Als het skelet en alle organen, zintuigen en vinnen zijn aangelegd, spreken we niet meer van een larve, maar van een juveniel. Een vis is in zijn eerste levensjaar (de periode van ei tot juveniel) het meest kwetsbaar en afhankelijk van een goede leefomgeving. Als de vis geslachtsrijp wordt, is hij volwassen of adult. Met het afzetten en het bevruchten van eieren is de levenscyclus van de vis weer gesloten.
Vismigratie
Variatie in substraatvormen en structuren binnen de leefomgeving van de vis maakt het water geschikt voor verschillende vissoorten en verschillende levensfasen van de vis.
Variatie en soortenrijkdom
Een afwisselende wateromgeving vormt een lappendeken aan geschikte leefgebieden voor verschillende vissoorten. Hoe meer variatie, des te meer vissoorten er een plekje vinden met omstandigheden waaraan ze specifiek zijn aangepast, en waar ze predatoren en concurrenten kunnen vermijden. Maar ook voor de afzonderlijke vissoorten zelf moet de omgeving interne variatie bieden. De omgeving waarin een vis paait, verschilt veelal van de plek waar de jonge vissen vervolgens opgroeien. Op hun beurt foerageren en schuilen volwassen vissen vaak op andere plaatsen dan de jonge vissen. De plaats waar zoetwatervissen overwinteren ligt vaak ergens anders dan het zomerleefgebied.
De omvang van het leefgebied
Zoetwatervissoorten verschillen onderling nogal in het benodigde leefareaal. De jaarrond leefomgeving van een grote modderkruiper is veel kleiner van omvang (vanaf enkele vierkante meters) dan die van een trekvis als de zalm (duizenden hectaren). De eerste heeft aan een klein leefgebied met de noodzakelijke ingrediënten voor zijn levenscyclus genoeg. Het opgroeigebied van de zalm op zee ligt ver weg van de paaibedden in de bovenstroom van een rivier.
Verbindingen en barriëres
Natuurlijke verbindingen zijn voor zoetwatervissen van groot belang voor zowel de verspreiding van de soorten als de migratie van en naar paai-, opgroei- en voedsel- en overwinteringsgebieden. Natuurlijke barriëres, zoals gebergten of -voor zoetwatervissen -zeewater, kunnen de verspreiding van vissoorten verhinderen. De stand van de uitheemse snoekbaars bijvoorbeeld kon zich pas onder de geschikte situatie in de Nederlandse binnenwateren ontwikkelen, nadat de vis in 1888 was uitgezet.
Archief
Vissologie
Theorie
> Vissen herkennen
> Van eitje tot kanjer
> Ecologie van vissen
> Vissendeterminatie
> Veel gestelde vragen

