Vissendeterminatie

Iedereen die zich bezig houdt met zoetwatervissen, heeft te maken met de herkenning van vissoorten. Voor de herkenning van een soort kan meestal worden volstaan met een bestudering van het uiterlijk. In een enkel geval zullen daarnaast inwendige kenmerken dienen te worden bekeken.

Voor de herkenning van een soort kunnen we twee methoden onderscheiden: vergelijken van de vis met een natuurgetrouwe afbeelding en controleren aan de hand van een korte beschrijving; methodisch onderzoek naar de kenmerken aan de hand van zogenaamde determinatiesleutels.

De kenmerken van de vissen
De kenmerken van de vissen zijn in de voorbeeldvis weergegeven (zie ook linkermarge); in de determinatie-sleutels zullen de illustraties de genoemde kenmerken meer specifiek verduidelijken.

Determinatie-sleutels
Het vinden van de naam van een onbekende dier- of plantensoort, gebeurt in het algemeen door gebruik te maken van zogenaamde determinatie-tabellen of -sleutels. De determinatie-sleutel van de Nederlandse zoetwatervissen, bestaat uit twee delen: de eerste sleutel leidt tot de familie waartoe de soort behoort, de tweede tot de soort zelf.

De voorbeeldvis

vissologie - voorbeeldvis

Bij vissoorten worden de belangrijkste kenmerken voor de herkenning en onderscheiding zowel bij de foto als in de tekst met eenzelfde nummer aangeduid. In dit verband worden hier met behulp van een getekende ‘voorbeeldvis’ de plaats en de benaming van de meest gebruikte kenmerken nader toegelicht.

1 De bekdraden
Het bezit van bekdraden is een belangrijk kenmerk. Vooral het aantal bekdraden en de lengte ervan, helpen mee om een vissoort snel op naam te brengen. Tot de bekdraden worden gerekend alle aanhangsels naast, op en onder de bek.

2 De stand van de bek
Er zijn drie standen te onderscheiden:
- (A) – bovenstandig: de bek wijst naar boven
- (B) – eindstandig: de bek wijst naar voren
- (C)- onderstandig: de bek wijst naar beneden.

vissologie - bekstand

3 Het aantal schubben op de zijlijn
De schubben op de zijlijn zijn van de andere schubben te onderscheiden, doordat het lijkt alsof er een klein, horizontaal streepje op staat. Om het aantal schubben op de zijlijn te bepalen, moeten alle schubben van de kop tot aan de staartvin worden geteld.

4 Aantal, vorm en plaats van de rugvin(nen)
Een aantal vissoorten heeft twee rugvinnen, die al dan niet aaneengegroeid zijn. Bij deze soorten voelt de voorste rugvin vaak stekelig aan. Bij enkele soorten is de achterste rugvin zeer lang. Ook de vorm van een rugvin is vaak een belangrijk kenmerk: deze is dan bolrond of hol.

5 De vetvin
Tussen de rug- en staartvin komt bij een aantal vissoorten een kleine vin voor: de vetvin.

6 Vorm en plaats van de anaalvin
Van een aantal vissoorten is de anaalvin hol ingesneden. Bij enkele andere soorten is de anaalvin juist bolrond van vorm. Sommige soorten bezitten een zeer lange anaalvin.