Terug naar "Ed's vistips"

Andere "Ed's vistips"-onderwerpen:

 

Tips van Ed

 

Streetfishing
Het is heerlijk om bij het vissen de rust van de natuur op te zoeken. Maar als je weinig tijd hebt om te vissen, kun je ook verrassend goed vangen bij jou om de hoek. Het op een actieve manier dicht bij huis vissen noem je ook wel ‘streetfishing’. Hierbij vis je meestal op roofvis, maar ook het actief vissen op andere vissoorten kun je streetfishing noemen.
In veel steden en dorpen vind je singels, sloten, vijvers, vaarten, grachten, havens en kanalen. De beste stekken liggen bij beschutte plekken zoals bruggen, duikers, steigers, boten, vlonders, overhangende bomen en struiken en velden met waterplanten. Hier moet je dus gaan vissen!
Omdat de visstekken dichtbij huis liggen, kun je er prima na schooltijd of na het avondeten vissen. Je pakt je spullen en voor je het weet ben je al op een leuke stek. Vis je met kunstaas, dan kun je meteen gaan werpen en al lopend meerdere stekken afvissen. Vis je met een vaste hengel of werphengel op witvis, dan kun je snel een paar voerplekjes maken en die daarna stuk voor stuk afvissen. Soms vang je al binnen een paar minuten je eerste vis!


Dropshotten op witvis
Dropshotten is het vissen met een speciaal werploodje met daarboven een kleine shad of ander stukje kunstaas van gummi. Je vangt er baars, snoekbaars en soms ook snoek mee. Een nieuwe variant is dropshotten op witvis, waarbij je in plaats van kunstaas maden of wormen als aas gebruikt. Op ongeveer 40 centimeter boven het loodje maak je een lusje in de lijn, waaraan je een dun (14/00) zijlijntje van 20 centimeter lang knoopt. Hieraan zet je een haakje nummer 12 of 14, waarop je een mestpiertje of een paar maden prikt. Wacht na het inwerpen tot het loodje de bodem raakt, draai dan tergend langzaam binnen waarbij je af en toe eventjes stopt. Voel je dat een vis het aas pakt, wacht dan heel even voordat je aantikt. Zelf gebruik ik hiervoor een dunne en soepele werphengel met een lengte van 2,5 meter, met daarop een kleine werpmolen en 16/00 nylon. Mijn dropshotloodjes zijn langwerpig en in gewichten van 5, 7 en 10 gram. Probeer het ook eens!

Van diep naar ondiep
Zodra de voorjaarszon zich wat vaker laat zien zal het viswater langzaam maar zeker gaan opwarmen. De ondiep delen van het water warmen veel sneller op dan de diepere delen. Vooral soorten als brasem en karper vinden dat warme water heerlijk. Vandaar dat je deze vissen de komende tijd vooral zult vangen op ondiepe plekken die aan diep water grenzen. Niet voor niets werpen veel feedervissers hun voerkorf nu in het ondiepe water langs de tegenoverliggende oever, om daar de dikke brasems te vangen. Ook in de ondiepe delen tussen kribben van rivieren en in de ondiepe oeverzones van vijvers en plassen kun je nu steeds beter vis vangen. Vooral als daar ook nog eens riet begint te groeien, waartussen veel vissen in het voorjaar graag paaien. Maar ook als ze daarmee nog niet bezig zijn zullen de vissen graag in het ondiepe en warme water rond scharrelen. Werp je aas voor brasem en karper dus niet meer in diep water, maar ga op zoek naar stekken in het ondiepe.

Tussen plantenresten
Met deze tip kun je als karpervisser en als witvisser je voordeel doen. Het gaat over waterplanten en dan vooral over de drijfbladplanten gele plomp en waterlelie. Die zie je over een paar maanden weer overal boven komen in poldersloten, sierwater, plassen en vaarten. In het najaar sterven de planten af en ze gaan in april weer groeien, als de lentezon het water opwarmt. In maart ligt er meestal een veld van half rotte plantenresten op de bodem. De hele winter hebben daar karpers, zeelten en mogelijk ook brasems tussen gelegen. Tussen de plantenresten is het namelijk vaak een graadje warmer dan in het open water en bovendien is er altijd wel wat voedsel te vinden. Als je weet waar die velden met drijfbladplanten groeien, dan zou ik zeker de komende weken op die plek gaan vissen. Wie weet hoeveel vissen er tussen de plantenresten op een lekker hapje liggen te wachten!

Elke hengel vangt vis
Je hoort wel eens vissers mopperen dat hun hengel niet goed is omdat hij niets vangt. Nou Stekkies, neem maar van mij aan dat geen enkele hengel uit zichzelf vis vangt! Het gaat altijd om degene achter de hengel. Als jij het goed doet dan vang je vis. En zit je te prutsen dan gebeurt er niets, of je nu een hengel van 5 of 500 euro hebt. Ik heb wel eens gezien dat iemand met een boomtak en een simpel tuigje meer vis ving dan degene naast hem met een dure wedstrijdhengel. Gewoon omdat het een betere visser was. Dus ga niet meteen bij je ouders zeuren om een nieuwe hengel als je een keer niks vangt. Probeer eerst eens een andere visplek of een ander aas of tuigje. Misschien doet dat wel wonderen. Of je kijkt gewoon wat vaker naar Vis TV!


Penvissen op karper
Op karper kun je heel goed met een pen (dobber) vissen. Gewoon met wat handen mais uit blik een voerplekje aanleggen en daarop je aas leggen. Lekker in je karperstoel, landingsnet en onthaakmat bij de hand, een paar maiskorrels op de haak of hair en rustig afwachten. Zodra het water wat warmer is, gaan de karpers actief op zoek naar voedsel. Ze leggen daarbij flinke afstanden af en komen zeker een keer jouw voerplek tegen. Goede stekken zijn rietkragen, hoeken en kruisingen van sloten, pijlers van bruggen en ingangen van duikers. Hier komen ze regelmatig buurten. Als daar dan jouw voerplekje ligt, melden ze zich zeker. Wel met je aas op de bodem vissen en eh… zorg dat de slip van je molen goed staat afgesteld!

Voorjaarsschar
Schar staat bekend als een echte winter(plat)vis, maar vaak zijn ze nog prima in de zomer te vangen. In het ondiepe water langs het strand zwemmen er nog maar weinig, maar vanaf pieren en havenhoofden kun je in mei en juni soms de ene na de andere schar vangen. Daar hoef je echt geen zware zeewerphengel voor te gebruiken, want met een stevige karperhengel of een heavy feederhengel kan het namelijk ook. Aan je hoofdlijn knoop je een paternoster; dat is een onderlijn met twee of drie platvishaken eraan. Onderaan de onderlijn komt een ankerlood van 75 of 100 gram, op de haken rijg je zagers of zeepieren en gaan met die banaan. Meer weten over zeevissen? Kijk dan eens op de website Stekkie.nl onder het kopje Vissen doe je zo.

Grote brasems vragen geduld
Heel vaak krijg ik mailtjes van jonge sportvissers die graag een grote brasem willen vangen. Mijn belangrijkste tip is: heb geduld. In de meeste wateren zwemmen hele grote brasems, maar die zijn niet voor niets zo groot geworden. Dat lukt ze namelijk alleen als ze slim en voorzichtig zijn. Als je gaat vissen dan kan het lang duren voordat de brasems gaan eten, terwijl ze wel in de buurt van het lokvoer zwemmen. Denk dus niet na een uur vissen: “Het wordt niets, de brasems willen niet bijten”, want dan bega je een vergissing. Het duurt gewoon even voordat ze gaan eten! Als ik ga brasemvissen leg ik soms uren van tevoren een voerplek aan. Dat kan met gewoon witvisvoer met daarin maden en stukjes worm, maar ook met een partij stukgeknipte maiskorrels. Sommigen voeren zelfs al de avond van te voren. Probeer het maar eens, dan vang jij ook zo’n vloermat!

Tips voor winterse doe het zelvers
De donkere winterdagen benut ik graag om mijn vistuigjes op te knappen. Als je een tijdje met dezelfde tuigjes hebt gevist, dan wordt vooral de lijn er niet beter op. Vandaar dat ik elke winter de tuigjes voorzie van nieuw nylon, nieuwe loodjes en vlijmscherpe haakjes. Als de lijn op mijn werpmolens aan vervanging toe is, wissel ik die ook. Vaak heb ik van de 100 meter lijn op de molenspoel maar enkele tientallen meters keer op keer gebruikt. De rest is dan nog ongebruikt en onbeschadigd. In dat geval draai ik de lijn gewoon om, waarbij ik twee lege klossen gebruik. Eerst draai ik de lijn met de hand vanaf de molen op een lege klos, waarbij ik dus eindig met de nog ongebruikte lijn. Vervolgens draai ik die weer op een andere lege klos. Dan knoop ik het gebruikte deel van de lijn aan de molenspoel en spoel ik de lijn weer op de molen. Nu heb ik weer prima vislijn waarmee ik een jaar vooruit kan.

Effectieve uren en stekken
Als koudbloedige dieren worden vissen ’s winters net zo koud als het water waarin ze leven. Ze eten dan veel minder dan in de warmere maanden van het jaar. En als ze eten, is dat maar een korte periode van de dag. De rest van de tijd hangen ze doodstil in het water of rusten ze wat op de bodem. Urenlang vissen is dan zinloos. Veel beter kun je dan vissen in de uurtjes dat de vissen even actief zijn. Vaak is dat ’s ochtends tussen 9.00 en 11.00 uur en in de middag tussen 14.00 en 16.00 uur. Ook snoeken bijten het beste in deze uren. Het is handig als je weet waar de scholen witvis overwinteren, want daar liggen de snoeken vlakbij. Bijvoorbeeld in de buurt van duikers en andere diepere plekken. In de winter zwemt de vis ook graag op plaatsen waar het water warm(er) is. Weet je een uitlaat van een elektriciteitscentrale of een plek waar een fabriek koelwater loost, dan zit je meestal goed.
    

Voorjaarszeelt
Zeelt kom je in steeds meer water tegen. Staat het water ’s zomers vol waterplanten en leeft er snoek en ruisvoorn, dan kun je er zeker ook zeelt verwachten. In het voorjaar kun je gaan vissen op plaatsen waarvan je weet dat er ’s zomers waterplanten groeien. Zelfs als er nog geen plant te zien is, liggen op de bodem altijd plantenresten of komen de eerste scheuten weer tevoorschijn. De zeelten gaan daar bij mooi voorjaarsweer flink in de bodem woelen, op zoek naar muggenlarven en insecten. Maden zijn dan een prima aas voor zeelt. Maar mijn voorkeur gaat toch uit naar wormen, of een combinatie van wormen met maden. Het lokvoer bestaat uit wat bruin broodmeel met maismeel, met daarin kapot geknipte maiskorrels, maden en geknipte wormen. Maar steeds vaker worden zeelten ook aan kleine boilies en pellets gevangen. Vis je met een dobber, zorg dan dat je aas altijd op de bodem ligt. En vis niet dunner dan 18/00, want zeelten zijn oersterk!
    


Met brood op harder
Kom je wel eens aan zee bij een haven? Dan moet je goed kijken of je scholen dikke zilveren vissen met zwarte strepen ziet zwemmen. Dat zijn harders. Vroeger hoorde je altijd dat harders niet te vangen zouden zijn, maar dat is mooi onzin. Gooi maar eens wat korstjes brood in het water en ze zullen er snel van eten. Het vissen op harder met een drijvend korstje is echter niet zo eenvoudig, omdat deze vissen erg schuw zijn en al schrikken als ze je schaduw zien. Je kunt beter wat dieper vissen, met een flinke grote broodvlok en voeren met natgemaakt brood. Ik doe dat elk jaar wel een paar keer in de zomermaanden in de jachthaven van Scheveningen.

Voorjaarsgul
Grote kabeljauwen komen in de Noordzee niet veel meer voor, maar er zwemmen nog heel wat jonge kabeljauwen (dat noem je gullen) met een lengte van 25 tot 45 centimeter rond. Ze komen in maart en april naar de kust om kleine visjes, garnalen en krabben te eten. De pieren bij IJmuiden, de Scheveningse havenhoofden, de Nieuwe Waterweg en de stranden tussen Westkapelle en Dishoek in Zeeland zijn dan de beste stekken. Ver inwerpen is daar soms nodig, maar bij pieren en havenhoofden kun je ook dichtbij de steenstort gul verwachten. Omdat je daar snel kans hebt om je materiaal te verspelen, is het verstandig om geen milieuonvriendelijk lood te gebruiken. Gebruik loodvervangers, oude moeren of bouten, stukken (smeervrije) fietsketting of oude bougies. Monteer vlak boven het werpgewicht een 70 centimeter lange en 50/00 dikke wapperlijn van nylon, knoop daaraan een sterke langstelige haak maat 2/0 of 3/0 en rijg die flink vol met zeepieren of zagers. Wedden dat je gaat vangen?

Goed kijken
Als in het voorjaar de watertemperatuur gaat stijgen, is het vooral belangrijk goed naar het water te kijken. Witvis, maar zeker ook karper, zoekt deze weken overal de ondiepe plekken op. Daar is het water namelijk lekker warm en er is vaak ook meer voedsel te vinden dan in diep water.
Sluip heel stilletjes langs de waterkant en kijk goed waar je het water ziet kolken of vissenstaarten en vinnen boven water ziet komen. Dat kunnen paaiende vissen zijn, die je dan meestal niet vangt. Vrijen en eten gaat nu eenmaal niet samen. Maar het kunnen evengoed azende vissen zijn die op zoek zijn naar jouw aas en voer. Zeker tijdens de vroege ochtend of de uurtjes voor zonsondergang, want dan wordt er niet geknuffeld.


Acrobatische geep
Elk jaar in april en mei komt de geep weer onder de kust. Deze prachtige, lange slanke, zilveren vis met een snavel zwemt meestal vlak onder de oppervlakte. Daar jaagt hij op jonge haringen (zeebliek) en zandspiering. Gepen zie je altijd als eerste langs de Zeeuwse kust. Daarna trekken ze elke week een beetje noordelijker. Op dit moment is de dijk van Westkapelle een echte hotspot.
Is de zee vlak en wil je weten of de gepen er zijn, werp dan een tak of ander stuk hout zo ver mogelijk in zee. Gepen beginnen dan vaak meteen als ware acrobaten over het stuk hout te springen. Logisch dat je vervolgens een geepdobber met daaraan een onderlijn van een meter lang en op de haak een reepje vis, spek, gerookte zalm of een klein kweekzagertje precies op die plek inwerpt.



Pennen met een haar
Als ik op karper vis, dan doe ik dat vrijwel uitsluitend met de pen – dus met een dobber. Geen boei waar je een boot aan vast kunt leggen, maar een mooi klein karperpennetje voor hooguit één gram lood. Als aas gebruik ik meestal twee zachte zoete maïskorrels, voeren doe ik met wat maïs en minipellets. Vroeger prikte ik de korrels zo op de haak, maar tegenwoordig vis ik ook onder de pen met een hair.
Met behulp van kleine karperhaakjes van het merk Korum, die al zijn voorzien van een hair (haar) met stoppertje, maak ik een onderlijn en rijg de maïs nu op de hair.
In plaats van een aparte onderlijn, kun je deze haakjes natuurlijk ook aan de 25/00 nylon hoofdlijn knopen. In ieder geval heb ik sinds ik zo vis het gevoel dat de karpers het aas makkelijker in de bek nemen en ik minder vaak mis tik. Probeer het zelf maar.


Lekker licht op makreel
Makrelen zijn echte zomervissen. Ze houden van helder en rustig water, dus als de golven hoog zijn gaan ze de diepte in. Is de zee vlak als een spiegel, dan jagen de makrelen achter scholen jonge haring (zeebliek), sprot en zandspiering. Hordes krijsende meeuwen geven vaak aan waar de makrelen op jacht zijn.
Komen ze binnen werpbereik, dan kun je er fantastisch op vissen met een lange spin- of karperhengel. Kies als aas voor een slank pilkertje of een wat zwaardere, slanke en niet te grote lepel. Zolang het maar niet te groot is, genoeg weegt om ver mee te kunnen werpen en glimt, is het goed voor makreel.
De absolute topper is echter een verenpaternoster. Dat is een onderlijn met meerdere glimmende haken waarop kippenveren – de gewone witte veertjes vangen het beste – zijn gebonden. In plaats van de gebruikelijke zware zeewerphengel en bonk lood, neem je een karperhengel en knoop je de veertjes aan je lijn met onderaan hooguit 50 gram werplood. Werp het zaakje zover mogelijk uit en draai met korte halen en niet te snel weer binnen.


Statisch pennen
Naast het bekende struinend penvissen (verschillende voerplekjes om de beurt afvissen) kun je ook statisch pennen. Hierbij maak je maar één voerplek en wacht je tot de karpers deze hebben gevonden. Zeker op druk bevist water voorkom je zo dat iemand anders net op ‘jouw plekje’ gaat zitten. Zoek een stek waar het voor de kant niet al te ondiep is en ga twee of drie meter van het water heel stil zitten. Op die manier vangt de vis zo min mogelijk trillingen van jouw bewegingen op. Strooi wat handjes zoete maïs uit een blikje van de supermarkt op hooguit twee meter van de kant en laat je pennetje met twee maïskorrels aan de haak voorzichtig boven de voerplek zakken. Spannender vissen bestaat haast niet. Vooral als een gehaakte karper in een op hol geslagen duikboot verandert.


Van zoet naar zout
Vis je normaal gesproken in zoet water, maar wil je ook eens aan zee vissen? Dat kan prima! Bijvoorbeeld met zagers op zeebaars, een supersterke zeevis die zeker nog tot oktober in ons kustwater verblijft. Pak je karperhengel of lange stevige spinhengel en een stevige molen met daarop een sterke lijn (25/00 tot 30/00). Schuif op de lijn een flinke snoekdobber, knoop onderaan een stevige karperhaak nr. 4 en knijp ongeveer 80 cm boven de haak een paar forse loodhagels op de lijn. Neem een (kweek)zager van een centimeter of 10, twee mag ook, en prik die met de kop op de haak. De rest van de zager blijft dan mooi bewegen onder water. De dobber zet je een stukje tot soms wel een meter boven het lood, dit is even een kwestie van uitproberen hoe diep de vis zit.



Blij met baarskleuren
Snoeken zijn echte rovers die zelfs hun eigen soortgenoten opeten. Zo’n slank haringsnoekje hapt immers gemakkelijk weg. Vandaar dat er pluggen bestaan die een snoekje imiteren. Maar ook baarzen zijn in het najaar en de winter vaak het ‘haasje’. In de zomer kunnen baarzen zich dankzij hun verticale strepen vaak nog prima verschuilen tussen rietstengels. Maar is het riet verdwenen, dan vallen ze door hun rode vinnen extra op en vormen ze een belangrijke prooi voor snoek. Je voelt hem natuurlijk al aankomen: dit betekent dat je de komende maanden vooral pluggen en ander kunstaas moet nemen dat de kleur heeft van een baars. Strepen mag, maar vaak is een combinatie van groengeel met bruin of groen met geel en wat rood (vinnen) al genoeg.


Maak je eigen kunstaasredder
Kunstaas is dikwijls niet goedkoop, dus moet je er zuinig op zijn. Heb je toch een keer de pech dat je plug of spinner aan iets op de bodem vastloopt, dan moet je zorgen dat je hem terugkrijgt. Hier bestaan kunstaasredders voor, maar die zijn vaak gemaakt voor bootvissers. Ik vis, net als jullie, echter voornamelijk vanaf de kant. Dus heb je een kunstaasredder nodig die je kunt werpen.
Zelf heb ik er een gemaakt van een loodballetje van ongeveer 50 gram. Die loden kogel heb ik over een stevig koord van 3 millimeter dikte en ongeveer 15 meter lang geschoven. Aan het eind van dat koord zit een knoert van een 5/0 dreg. Daarvan heb ik de weerhaken met een tang plat geknepen en de punten met een tang iets afgeknepen – dat is wel zo veilig!
Als mijn kunstaas is vastgelopen, werp ik de loodbal met dreg net even voorbij de plek waar ik vastzit. Daarna trek ik het koord weer langzaam binnen. Zo heb ik al oude fietsen, winkelwagentjes en matrassen met daaraan mijn dure plug gevangen.

Wintervoer voor blankvoorn
Blankvoorns kunnen met duizenden tegelijk een winterhaven bevolken. Met zoveel monden in het water zou je dus denken dat je dan veel moet voeren. Mooi niet! Voer weinig maar wel regelmatig. In het begin maar een paar balletjes en dan tussendoor steeds kleine beetjes. Erg goed is een voer met veel gemalen en geweekte hennep en notenmeel. Als je bovendien regelmatig wat gekiemde hennepkorrels en geknipte blikmais bij de dobber gooit , heb je kans op bezoek van de allergrootste blankvoorns.
Neem:
4 theekopjes bruin broodmeel
2 theekopjes (cocos)notenmeel
2 theekopjes gemalen hennep
Stop de avond voor de visdag de gemalen hennep in een pan en giet daar een laag kokend water op. Volgende morgen het water afgieten en de natte hennep door het droge broodmeel en de notenmeel mengen.

 

Warme voeten tip
Dat jullie Stekkies je voor een dag wintervissen warm moeten kleden, is natuurlijk geen nieuws. Gelukkig is er tegenwoordig allerlei goede, warme en wind en waterdichte kleding voor sportvissers zoals fleece-truien en fleece-mutsen, poolsokken en ga zo maar door. Belangrijk is in ieder geval dat je voeten niet koud worden. Als dat wel gebeurt krijg je het namelijk snel overal koud. En, kou komt altijd eerst door de schoenzolen en trekt dan langzaam omhoog. Je moet dus voorkomen dat de kou omhoog kan. En dat lukt het beste met isolerende inlegzooltjes in je schoenen of laarzen.
Die maak je van dat glimmende aluminiumfolie met glaswol dat als isolatiemateriaal voor verwarmingsbuizen dient. Je koopt het o.a. bij de Gamma en met een scherpe schaar knipt je er zo prachtige inlegzooltjes van. Nooit meer koude voeten!


Hou het bij één penhengel
Afgelopen jaar heb ik regelmatig met twee hengels op karper ‘gepend’. Dus geen voerplekjes afstruinen met één hengel met dobber, maar op een karperstoel met twee hengels gewoon wachten tot de karpers naar mij toe kwamen. Dat betekent wel dat je voortdurend twee dobbers in de gaten moet houden, die niet vlak naast elkaar liggen. Helemaal linke soep wordt het als je twee hengels een eind van elkaar hebt liggen. Ik verklap verder niets, maar in een van de uitzendingen van Vis TV over penvissen in de polder zie je precies wat ik bedoel. Daarom is mijn tip om het penvissen toch vooral met één hengel te doen. Maak meerdere voerplekjes van zoete blikmaïs op enige afstand van elkaar, en vis die één voor één af.

Kaasmaden voor barbeel
Jammer genoeg kun je barbelen niet overal vangen. Deze prachtige vissen zwemmen voornamelijk in de Rijn, IJssel, Waal, Lek en de Grensmaas. Vanaf de kop van een krib vis je in de volle stroming met werplood tot wel 150 gram en joekels van voerkorven. Dat lukt eigenlijk alleen met een karperhengel of heavy-feederhengel. Verder is de visserij vrij simpel: een karperhaakje nummer 10 en op de hair een blokje oude kaas of een vismeel-pellet. Maar er zijn dagen dat de barbeel daar niet in trapt en je een truc moet toepassen. Neem een onderlijn van 60 cm nylon van 20 tot 25/00 dikte en een haak vol met maden. Geen gewone maden, maar kaasmaden! Maden die een tijdje in stinkende Parmazaanse kaas hebben rond gekropen. Pfff, wat een lucht. Maar moet je eens zien wat er gebeurt. In aflevering 3 van Vis TV zie je het van A tot Z.

Voertips voor grote brasems
Dat karpers gek zijn op zoete mais uit blik weten jullie wel. Heel vaak komen er echter ook grote brasems op die mais af. Maar als je nu minder karpers en meer brasems wilt lokken, dan moet je de mais eens helemaal in stukjes knippen. Ik doe dat altijd in een plastic bekertje of bakje. Even een hand mais er in en met een scherpe schaar helemaal tot maispulp knippen. Wat geknipte wormen en maden er bij maakt het allemaal nóg lekkerder. Met wat geluk komt er ook zeelt, giebel en kroeskarper op af, plus nog een dikke karper als bonusvis. Gewoon bij je dobber voeren en wachten op wat er gebeuren gaat. En dat is soms heel bijzonder!



Actief zeevissen
Als je op een bepaald moment aan de kust of op zee niets vangt, dan wil dat niet meteen zeggen dat er geen vis zit. Sommige vissen houden zich overdag namelijk rustig en worden pas ’s nachts actief. Een voorbeeld van zo’n vis is de tong. Ook merk je duidelijk dat zeevis vaak pas gaat azen als de getijdenstromen beginnen te lopen. Dus als het eb of vloed wordt. Garnaaltjes en babyvisjes beginnen dan te scharrelen op de bodem en die trekken weer grotere rovers aan. Vis je met een onderlijn (paternoster) met twee of drie haken en zagers of zeepieren als aas, dan is het handig om in sterke stroming ankerlood te gebruiken. Stroomt het niet of nauwelijks, neem dan lood zonder ankers en vis actief. Draai na het inwerpen af en toe heel langzaam een stukje binnen en wacht dan even. Geen aanbeet, dan weer een stukje indraaien en wachten. Vaak lok je dan de aanval van een dikke bot of een andere platvis uit.


Geep in het land
In de zomermaanden is de lange zilveren geep op veel plaatsen langs de kust te vinden. Zoek de vissen net onder het oppervlak en gebruik daarvoor een speciale geepdobber. Die kun je dankzij een loodgewicht in de dobber erg ver werpen. Aan de lijn knoop je een speldwartel die je aan het oog bovenaan de dobber vastmaakt. Vervolgens maak je van 25/00 nylon of fluorcarbon een onderlijn van een meter lang. Aan één kant komt een lusje en aan de ander kant een haak maat 6 of 8 met een lange steel. Het lusje komt aan de zelfde speldwartel bovenaan de dobber. Als aas gebruik je een dun reepje vis (bijvoorbeeld een reepje verse zalm met huid), een reepje spek of een kweekzagertje. Je werpt zo ver mogelijk in en remt de dobber voordat deze het water raakt, zodat de haaklijn zich mooi strekt. Draai af en toe heel langzaam een stukje in en wacht tot je een geep bij de dobber ziet springen. Want springen betekent meestal ook hangen!


Zomersnoeken en waterplanten
Dat snoeken van waterplanten houden wisten jullie natuurlijk al. Jonge snoekjes hebben waterplanten nodig om zich te kunnen verstoppen voor hongerige soortgenoten. Grotere snoeken gebruiken de beschutting van waterplanten om vanuit een hinderlaag prooivissen te vangen. Dus wil je in de komende maanden snoek vangen, ga dan vissen in helder water waar veel planten groeien. Het vissen in die wateren met gewone spinners en pluggen is niet eenvoudig. Die blijven voortdurend in de planten hangen. Veel beter kun je daarom vissen met een grote snoekstreamer, die gemakkelijk langs of over de waterplanten gaat. Behalve aan de vliegenhengel kun je die ook aan je spinhengel hangen. Alleen moet je dan wel een paar flinke loodhagels op de lijn drukken, anders heb je geen gewicht om te werpen. Wat trouwens ook erg goed gaat in plantenrijk water is een drijvende jerkbait. Die zwemt en springt prachtig over de planten heen en is onweerstaanbaar voor snoek. De combinatie groen met geel doet het altijd goed.

Superspinners
Misschien heb je kort geleden nog in Hét Visblad dat verhaal over het vissen op zomersnoek gelezen en heb je op internet het bijbehorend filmpje gezien. Dan heb je ook kunnen zien en lezen dat ik gek ben op spinners. Gewoon omdat je er in de meeste wateren prima snoek mee kunt vangen. Vooral tandemspinners met twee spinnerbladen vangen fantastisch. Je kunt ze helemaal compleet in de hengelsportwinkel kopen, maar natuurlijk ook zelf maken. In de grote en betere hengelsportwinkels kun je alle losse onderdelen voor het maken van spinners kopen. Je kijkt heel goed bij een gekochte spinner hoe alles in en aan elkaar zit en dan maak je met behulp van een knip- en een punttang alles zo na. Je kunt daarbij je fantasie de vrije loop laten door gekleurde kralen en andere toeters en bellen te gebruiken.

Grote snoekentip
Natuurlijk willen jullie allemaal graag een grote snoek vangen! Maar jullie vergeten daarbij soms dat in een water veel minder grote snoeken rondzwemmen dan kleintjes. Je hebt dus veel meer kans op een kleine snoek dan op een grote, zeker als je met kleine spinners en miniplugjes vist. Vooral de grote snoeken concentreren zich in het najaar en de winter op grotere prooivissen. Regelmatig eten ze daarbij ook hun eigen soortgenoten op. Geloof het of niet, maar een snoek van een meter grijpt zonder probleem een snoek van 60 centimeter. Nu is kunstaas van die lengte natuurlijk ‘een tikje’ overdreven en vooral lastig te gebruiken. Maar met een shad van 20 centimeter, een grote plug of een forse tamdemspinner met daarachter een dot haar of veren sla je als snoekvisser echt geen gek figuur.

Voornvoertip 
Voor degene die zelf voornvoer wil maken zal ik uitleggen hoe je dat kunt doen. Veel lokvoer heb je voor het vissen op voorn niet nodig. Neem een wat groot uitgevallen koffiekopje en vul die 4x met bruin broodmeel, 2x met notenmeel en 1x met maïsmeel. Gooi al dit droge meel in een teiltje of emmer en meng het goed door elkaar. Neem dan 2x een kopje gemalen hennep, doe het in een kom of pannetje en giet daar de avond voor de visdag een laagje kokend water over. De volgende dag giet je het water van de hennep af en meng je de natte gewelde hennep met het droge meelmengsel. Al deze ingrediënten zijn in de hengelsportwinkel te koop en je hebt nu een blankvoornvoer om je vinger bij af te likken. Bij wijze van spreken dan!

Kleine haken voor schar
Scharren zijn smakelijke platvissen die elk najaar in ons kustwater verschijnen om in mei weer te vertrekken naar diep water. Tussen dat komen en gaan ligt een zee van tijd en mogelijkheden om heerlijk te vissen. Tenminste, als de zee rustig is en je de juiste haken gebruikt. Want in een ruwe zee met schuimkoppen vang je geen schar, maar ook als je grote haken gebruikt zal het je niet lukken. Veel vissers die vanaf het strand of een pier vissen hopen op de vangst van een kabeljauw of ‘gul’, zoals echte zeevissers zeggen. Dat is de reden waarom ze met grote haken vissen die volgepropt zijn met zeepieren. Maar als de gullen er niet zijn, of geen zin hebben om te bijten, dan vangen ze ook geen schar omdat de haken te groot zijn! Scharren hebben namelijk een klein bekje. Kies daarom platvishaakjes nummer 4 en 6 en neem het risico om een verdwaalde gul te verspelen maar op de koop toe.